Parcourir grammaire

Ouvrez l’une des pages ci-dessous pour apprendre avec des exemples et des explications en néerlandais.

Grammar

Werkwoord zijn: basis

Dutch grammar · A0

Grammar

Werkwoord hebben: basis

Dutch grammar · A0

Grammar

Doen als hulpwerkwoord

Dutch grammar · A0

Grammar

Persoonlijke voornaamwoorden (onderwerp)

Dutch grammar · A0

Grammar

Lidwoorden: een, de, het

Dutch grammar · A0

Grammar

Aanwijzende voornaamwoorden: dit, dat, deze, die

Dutch grammar · A0

Grammar

Ontkennende patronen met niet/geen

Dutch grammar · A0

Grammar

Ja/nee-vragen met hulpwerkwoorden

Dutch grammar · A0

Grammar

Korte antwoorden met hulpwerkwoorden

Dutch grammar · A0

Grammar

Overzicht: tegenwoordige, verleden, toekomstige tijd

Dutch grammar · A0

Grammar

Signaalwoorden voor de tegenwoordige tijd

Dutch grammar · A0

Grammar

Signaalwoorden voor verleden en toekomst

Dutch grammar · A0

Grammar

Onvoltooid tegenwoordige tijd

Dutch grammar · A0

Grammar

Onvoltooid verleden tijd

Dutch grammar · A0

Grammar

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd

Dutch grammar · A0

Grammar

Tegenwoordige tijd continu

Dutch grammar · A0

Grammar

Gebiedende wijs

Dutch grammar · A0

Grammar

Beleefde verzoeken

Dutch grammar · A0

Grammar

Basis bijvoeglijke naamwoorden

Dutch grammar · A0

Grammar

Meervoud zelfstandige naamwoorden

Dutch grammar · A0

Grammar

Basis voorzetsels

Dutch grammar · A0

Grammar

Neven­schikkende voegwoorden

Dutch grammar · A0

Grammar

Onderwerp-werkwoord-object woordvolgorde

Dutch grammar · A0

Grammar

Onderwerp-werkwoord­overeenkomst

Dutch grammar · A0

Grammar

Er is, er zijn

Dutch grammar · A0

Grammar

Modaal werkwoord kunnen

Dutch grammar · A0

Grammar

Bezittelijke voornaamwoorden

Dutch grammar · A0

Grammar

Voornaamwoorden als lijdend voorwerp

Dutch grammar · A0

Grammar

Bezittelijke voornaamwoorden

Dutch grammar · A0

Grammar

Vraagwoorden en vragende zinnen

Dutch grammar · A0

Grammar

lidwoorden

Dutch grammar · A1

Grammar

meervoud

Dutch grammar · A1

Grammar

persoonlijke voornaamwoorden

Dutch grammar · A1

Grammar

bezittelijke voornaamwoorden

Dutch grammar · A1

Grammar

aanwijzende voornaamwoorden

Dutch grammar · A1

Grammar

vraagwoorden

Dutch grammar · A1

Grammar

werkwoordsvormen tegenwoordige tijd

Dutch grammar · A1

Grammar

werkwoordsvormen verleden tijd van zijn en hebben

Dutch grammar · A1

Grammar

negatie

Dutch grammar · A1

Grammar

enkelvoud en meervoud van zelfstandige naamwoorden

Dutch grammar · A1

Grammar

bijvoeglijke naamwoorden

Dutch grammar · A1

Grammar

woordvolgorde in hoofdzin

Dutch grammar · A1

Grammar

woordvolgorde in vraagzin

Dutch grammar · A1

Grammar

voorzetsels van plaats

Dutch grammar · A1

Grammar

voorzetsels van tijd

Dutch grammar · A1

Grammar

getallen

Dutch grammar · A1

Grammar

kloktijden

Dutch grammar · A1

Grammar

bezitsvorm met van

Dutch grammar · A1

Grammar

modale werkwoorden kunnen en willen

Dutch grammar · A1

Grammar

gebiedende wijs

Dutch grammar · A1

Grammar

samengestelde zinnen met en, maar, want

Dutch grammar · A1

Grammar

reflexieve werkwoorden

Dutch grammar · A1

Grammar

Bijwoorden van frequentie (basis)

Dutch grammar · A1

Grammar

Er is, er zijn (basis)

Dutch grammar · A1

Grammar

lidwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

meervoud

Dutch grammar · A2

Grammar

verkleinwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

persoonlijke voornaamwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

bezittelijke voornaamwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

aanwijzende voornaamwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

vraagwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

ontkenning

Dutch grammar · A2

Grammar

werkwoordstijden: tegenwoordige tijd

Dutch grammar · A2

Grammar

werkwoordstijden: verleden tijd van regelmatige werkwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

werkwoordstijden: verleden tijd van onregelmatige werkwoorden (basis)

Dutch grammar · A2

Grammar

toekomende tijd

Dutch grammar · A2

Grammar

modale werkwoorden: kunnen, moeten, willen, mogen

Dutch grammar · A2

Grammar

gebiedende wijs

Dutch grammar · A2

Grammar

bijvoeglijke naamwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

bijwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

voorzetsels van plaats

Dutch grammar · A2

Grammar

voorzetsels van tijd

Dutch grammar · A2

Grammar

samengestelde zinnen met 'en', 'maar', 'want', 'of'

Dutch grammar · A2

Grammar

hoofdzin en bijzin (basisvolgorde)

Dutch grammar · A2

Grammar

inversie

Dutch grammar · A2

Grammar

vraagzinnen

Dutch grammar · A2

Grammar

getallen

Dutch grammar · A2

Grammar

kloktijden

Dutch grammar · A2

Grammar

bezittelijke constructies

Dutch grammar · A2

Grammar

reflexieve werkwoorden

Dutch grammar · A2

Grammar

er-constructies (basis)

Dutch grammar · A2

Grammar

om te + infinitief

Dutch grammar · A2

Grammar

negatieve imperatief

Dutch grammar · A2

Grammar

Als- en wanneer-zinnen

Dutch grammar · A2

Grammar

Omdat-zinnen

Dutch grammar · A2

Grammar

Mening uitdrukken

Dutch grammar · A2

Grammar

Eenvoudige lijdende vorm

Dutch grammar · A2

Grammar

woordvolgorde in hoofdzin

Dutch grammar · B1

Grammar

woordvolgorde in bijzin

Dutch grammar · B1

Grammar

inversie

Dutch grammar · B1

Grammar

hoofdzin en bijzin combineren

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'om ... te'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'dat'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'als'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'wanneer'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'omdat'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'terwijl'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'hoewel'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'toen'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'nadat'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'voordat'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'zodat'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'aangezien'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'of'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'zoals'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'totdat'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'sinds'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'mits'

Dutch grammar · B1

Grammar

bijzinnen met 'tenzij'

Dutch grammar · B1

Grammar

verleden tijd van regelmatige werkwoorden

Dutch grammar · B1

Grammar

verleden tijd van onregelmatige werkwoorden

Dutch grammar · B1

Grammar

voltooid deelwoord

Dutch grammar · B1

Grammar

voltooide tijd (perfectum)

Dutch grammar · B1

Grammar

onvoltooide tijd (imperfectum)

Dutch grammar · B1

Grammar

toekomende tijd (futurum)

Dutch grammar · B1

Grammar

gebruik van 'gaan' + infinitief

Dutch grammar · B1

Grammar

gebruik van 'zullen' + infinitief

Dutch grammar · B1

Grammar

modale werkwoorden

Dutch grammar · B1

Grammar

reflexieve werkwoorden

Dutch grammar · B1

Grammar

trennbare werkwoorden

Dutch grammar · B1

Jouez aux jeux SmartWords

Six jeux de mots basés sur notre véritable vocabulaire — gratuits dans le navigateur, sans installation.

Ouvrir le hub de jeux →
  • Word Sling illustration

    Word Sling

    Associez le mot au centre contre la montre et gardez le combo en vie.

    Jouer →
  • Word Gate illustration

    Word Gate

    Passez par la bonne porte avant que la vitesse n'augmente.

    Jouer →
  • Word Ninja illustration

    Word Ninja

    Tranchez les mots de la langue cible, évitez le leurre dans la langue principale et visez le bonus annoncé.

    Jouer →
  • Word Zip illustration

    Word Zip

    Tracez un seul chemin sur le plateau, touchez chaque ancrage de lettre dans l'ordre et remplissez chaque case libre.

    Jouer →
  • Word Oddity illustration

    Word Oddity

    Choisissez le mot qui n'a pas sa place dans une série par thème — chaque appui révèle les quatre sens et images, pour que la manche fasse aussi office de fiche mémo.

    Jouer →
  • Word Memory illustration

    Word Memory

    Retournez les cartes et associez les mots de la langue cible à leur sens dans la langue principale avant de perdre toutes vos vies.

    Jouer →