- Taal
- Frans
- Niveau
- B2
- Eenheid
- Discours indirect et temps du passé
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Frans zijn er verschillende verleden tijden: passé composé, imparfait en plus-que-parfait. Elk tijd heeft een eigen gebruik.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik passé composé voor afgeronde, specifieke gebeurtenissen in het verleden. Imparfait gebruik je voor gewoontes, herhaalde acties of beschrijvingen in het verleden. Plus-que-parfait gebruik je voor een actie die gebeurde vóór een andere verleden actie.
Belangrijke vormen
- Passé composé: onderwerp + hulpwerkwoord (être/avoir in de tegenwoordige tijd) + voltooid deelwoord (bijv. J'ai mangé)
- Imparfait: stam van 'nous' in de tegenwoordige tijd + uitgangen -ais, -ais, -ait, -ions, -iez, -aient (bijv. Je mangeais)
- Plus-que-parfait: onderwerp + hulpwerkwoord (être/avoir in imparfait) + voltooid deelwoord (bijv. J'avais mangé)
Voorbeelden
Hier, j'ai vu un film.
Nederlands: Gisteren heb ik een film gezien.
Quand j'étais petit, je jouais dans le jardin.
Nederlands: Toen ik klein was, speelde ik in de tuin.
Il avait déjà mangé quand je suis arrivé.
Nederlands: Hij had al gegeten toen ik aankwam.
Nous regardions la télévision quand le téléphone a sonné.
Nederlands: We keken televisie toen de telefoon ging.
Tips
- Met être als hulpwerkwoord in passé composé moet het voltooid deelwoord overeenkomen met het onderwerp.
- Gebruik imparfait voor achtergrondinformatie of gewoontes, niet voor eenmalige afgeronde acties.
- Plus-que-parfait gebruik je alleen als er twee gebeurtenissen in het verleden zijn en je de eerdere wilt aangeven.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden gebruiken être als hulpwerkwoord in passé composé (bijv. aller, venir, arriver).
- Veel voltooid deelwoorden zijn onregelmatig (bijv. avoir → eu, être → été, faire → fait).