Tu vas à la bibliothèque ? Oui, j'y vais.
Nederlands: Ga je naar de bibliotheek? Ja, ik ga erheen.
In het Frans worden de voornaamwoorden 'y' en 'en' gebruikt om bepaalde woorden of woordgroepen te vervangen. Zo voorkom je herhaling en maak je zinnen vloeiender.
Gebruik 'y' als je verwijst naar een plaats of iets met 'à'. Gebruik 'en' om over een hoeveelheid of iets met 'de' te praten. Beide voornaamwoorden staan meestal vóór het werkwoord.
Tu vas à la bibliothèque ? Oui, j'y vais.
Nederlands: Ga je naar de bibliotheek? Ja, ik ga erheen.
Il pense à son avenir. Il y pense souvent.
Nederlands: Hij denkt aan zijn toekomst. Hij denkt er vaak aan.
Tu veux du pain ? Oui, j'en veux.
Nederlands: Wil je brood? Ja, ik wil (er) wat.
Nous avons trois enfants. Nous en avons trois.
Nederlands: We hebben drie kinderen. We hebben er drie.
Elle revient de Paris. Elle en revient demain.
Nederlands: Zij komt terug uit Parijs. Zij komt er morgen vandaan.