Ik maak het raam open.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B2
- Eenheid
- Werkwoordsvormen en tijden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Scheidbare werkwoorden zijn werkwoorden die bestaan uit een werkwoord en een los voorvoegsel. Dit voorvoegsel kan in de zin worden losgemaakt van het werkwoord.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik scheidbare werkwoorden als het werkwoord een voorvoegsel heeft dat de betekenis verandert. In hoofdzinnen komt het voorvoegsel meestal achteraan. In bijzinnen of met een hulpwerkwoord blijft het werkwoord aan het voorvoegsel vast.
Belangrijke vormen
- In de tegenwoordige tijd komt het voorvoegsel achteraan: Ik sta vroeg op.
- In de infinitief of voltooide tijd blijft het werkwoord aan het voorvoegsel vast: Ik wil opstaan. Ik ben opgestaan.
Voorbeelden
Hij belt zijn moeder op.
We staan om zeven uur op.
Ze wil het licht uitdoen.
Ik heb de deur opengedaan.
Tips
- Vergeet niet het voorvoegsel te scheiden in hoofdzinnen, maar niet na een hulpwerkwoord of in de infinitief.
- Het voorvoegsel komt meestal achteraan in de zin in de tegenwoordige tijd.
- Niet alle werkwoorden met een voorvoegsel zijn scheidbaar.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige voorvoegsels ('be-', 'ge-', 'her-', 'ont-', 'ver-') zijn meestal niet scheidbaar.
- In bijzinnen blijven het werkwoord en voorvoegsel samen achteraan staan.