Los estudiantes que estudian mucho aprobarán el examen.
Nederlands: De studenten die veel studeren zullen slagen voor het examen.
In het Spaans zijn er twee soorten betrekkelijke bijzinnen: 'oraciones relativas especificativas' (beperkend) en 'explicativas' (uitleggend). Especificativas geven aan over wie of wat je het hebt. Explicativas geven extra, niet-essentiële informatie.
Gebruik especificativas als je wilt aangeven om welk persoon of ding het precies gaat. Gebruik explicativas om extra informatie te geven over iets wat al duidelijk is.
Los estudiantes que estudian mucho aprobarán el examen.
Nederlands: De studenten die veel studeren zullen slagen voor het examen.
Mi hermano, que vive en Madrid, viene de visita.
Nederlands: Mijn broer, die in Madrid woont, komt op bezoek.
Las casas que tienen jardín son más caras.
Nederlands: De huizen die een tuin hebben zijn duurder.
El coche, que es rojo, es muy rápido.
Nederlands: De auto, die rood is, is erg snel.