Taal
Frans
Niveau
A2
Eenheid
Pronoms
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Frans gebruik je de eenvoudige betrekkelijke voornaamwoorden 'qui', 'que' en 'où' om twee zinnen aan elkaar te verbinden. Ze vervangen een zelfstandig naamwoord en maken de zin duidelijker.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze voornaamwoorden om twee zinnen samen te voegen die over dezelfde persoon, zaak, plaats of tijd gaan. Zo vermijd je herhaling en maak je langere zinnen.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

C'est le livre qui est sur la table.

Nederlands: Dat is het boek dat op de tafel ligt.

La fille que je vois est ma sœur.

Nederlands: Het meisje dat ik zie is mijn zus.

Voici la maison où j'habite.

Nederlands: Hier is het huis waar ik woon.

J'ai un ami qui parle français.

Nederlands: Ik heb een vriend die Frans spreekt.

Le jour où nous sommes partis était ensoleillé.

Nederlands: De dag waarop we vertrokken was zonnig.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen