Ik moet morgen vroeg opstaan.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B2
- Eenheid
- Werkwoordstijden en modale constructies
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Een modale infinitief in het Nederlands ontstaat wanneer je een modaal werkwoord (zoals kunnen, moeten, mogen, willen, zullen, laten, hoeven, durven) combineert met een ander werkwoord in de infinitief. Hiermee geef je bijvoorbeeld mogelijkheid, noodzaak, toestemming, wens of verplichting aan.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik modale infinitieven om aan te geven wat iemand kan, moet, mag, wil, zal, laat of hoeft te doen. Ook als iets niet hoeft, gebruik je deze vorm (met 'hoeven').
Belangrijke vormen
- modaal werkwoord (vervoegd) + infinitief
- Voorbeeld: Ik kan zwemmen.
- Voorbeeld: Je moet werken.
Voorbeelden
Jij mag hier niet parkeren.
We kunnen samen koken.
Zij wil Nederlands leren.
Je hoeft niet te komen.
Tips
- De infinitief staat in de hoofdzin altijd aan het eind.
- Na 'hoeven' gebruik je altijd 'te' voor de infinitief (bijvoorbeeld: 'Je hoeft niet te gaan').
- Na de meeste modale werkwoorden (kunnen, moeten, mogen, willen, zullen, laten, durven) gebruik je geen 'te'.
Uitzonderingen en randgevallen
- Bij 'hoeven' gebruik je altijd 'te' voor de infinitief.
- In bijzinnen staan het modale werkwoord en de infinitief samen achteraan.