De man die daar loopt is mijn vader.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B2
- Eenheid
- Voornaamwoorden en congruentie
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Betrekkelijke voornaamwoorden zijn woorden zoals 'die', 'dat', 'wie' en 'waar' + voorzetsel, waarmee je zinnen aan elkaar koppelt en verwijst naar iets of iemand die eerder genoemd is.
Wanneer je het gebruikt
Je gebruikt betrekkelijke voornaamwoorden om een bijzin te maken die extra informatie geeft over een woord in de hoofdzin. Ze verwijzen altijd terug naar iets of iemand die al genoemd is.
Belangrijke vormen
- 'die' (voor de-woorden en meervoud)
- 'dat' (voor het-woorden, enkelvoud)
- 'wie' (voor personen, soms na een voorzetsel)
- 'waar + voorzetsel' (bijvoorbeeld: 'waarop', 'waarmee')
Voorbeelden
Het boek dat ik lees is spannend.
De mensen met wie ik werk zijn vriendelijk.
Dit is het huis waar ik woon.
Tips
- Gebruik 'die' voor de-woorden en meervoud, 'dat' voor het-woorden.
- 'Wie' gebruik je alleen voor personen, vaak na een voorzetsel.
- Na een voorzetsel gebruik je voor dingen 'waar' + voorzetsel (bijv. 'waarover').
Uitzonderingen en randgevallen
- 'Wat' gebruik je als betrekkelijk voornaamwoord na onbepaalde woorden zoals 'alles', 'iets', 'niets' en na overtreffende trap.