Taal
Nederlands
Niveau
B2
Eenheid
Voorzetsels en bijwoorden
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

Voorzetsels zijn korte woorden zoals 'in', 'op', 'onder' of 'met'. Ze geven de relatie aan tussen andere woorden in de zin, bijvoorbeeld plaats, tijd of manier.

Wanneer je het gebruikt

Je gebruikt voorzetsels om aan te geven waar iets is, wanneer iets gebeurt, of hoe dingen met elkaar verbonden zijn. Een voorzetsel staat altijd voor een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Het boek ligt op de tafel.

We gaan naar het strand.

Hij spreekt met zijn vriend.

De kat zit onder de stoel.

Ik kom over een uur terug.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen