Ik maak het licht aan.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Werkwoordtypen en diathese
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Trennbare werkwoorden zijn werkwoorden die bestaan uit een werkwoord en een los te koppelen voorvoegsel. In sommige zinnen staat het voorvoegsel achteraan.
Wanneer je het gebruikt
Je gebruikt trennbare werkwoorden vaak om handelingen aan te geven die te maken hebben met beweging, richting of een verandering. Het voorvoegsel verandert de betekenis van het werkwoord.
Belangrijke vormen
- Tegenwoordige tijd: Ik sta op.
- Infinitief: opstaan
- Voltooid deelwoord: Ik ben opgestaan.
- Imperatief: Sta op!
Voorbeelden
Hij belt zijn moeder op.
Wij staan elke dag vroeg op.
Zij schrijft de boodschap op.
Tips
- In hoofdzin komt het voorvoegsel achteraan.
- In bijzinnen of met een hulpwerkwoord blijft het werkwoord aan elkaar.
- Let op de betekenis: het voorvoegsel kan het werkwoord een heel andere betekenis geven.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige voorvoegsels zijn nooit los, zoals 'ver-', 'be-', 'ge-', 'her-', 'ont-', 'er-'.
- Bij het voltooid deelwoord komt het voorvoegsel voor 'ge-' (bijvoorbeeld: 'opgestaan').