Je pense à mon ami.
Nederlands: Ik denk aan mijn vriend.
In het Frans worden veel werkwoorden gevolgd door een vaste voorzetsel, zoals 'à', 'de' of soms geen voorzetsel. Dit voorzetsel is belangrijk, omdat het de betekenis van het werkwoord kan veranderen of de relatie met het volgende woord aangeeft.
Gebruik deze structuren wanneer een Frans werkwoord een voorzetsel nodig heeft voor het object of een ander werkwoord. Je moet per werkwoord leren welk voorzetsel erbij hoort.
Je pense à mon ami.
Nederlands: Ik denk aan mijn vriend.
Elle parle de son voyage.
Nederlands: Zij praat over haar reis.
Nous aidons nos parents.
Nederlands: Wij helpen onze ouders.
Il commence à travailler.
Nederlands: Hij begint te werken.
Tu arrêtes de fumer.
Nederlands: Jij stopt met roken.