Toen ik klein was, woonde ik in Amsterdam.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Bijzinnen en voegwoorden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
'Toen' gebruik je in het Nederlands om een bijzin te maken over iets dat één keer in het verleden gebeurde.
Wanneer je het gebruikt
Je gebruikt 'toen' als je wilt praten over een specifiek moment of een gebeurtenis die één keer in het verleden plaatsvond. Het verbindt twee handelingen waarbij de ene na of tijdens de andere gebeurde.
Belangrijke vormen
- 'Toen' + onderwerp + rest van de zin + werkwoord aan het einde
- Hoofdzin, toen + onderwerp + ... + werkwoord.
Voorbeelden
Ik was blij toen ik het goede nieuws hoorde.
Toen hij thuiskwam, begon het te regenen.
We gingen naar buiten toen de bel ging.
Tips
- Gebruik 'toen' alleen voor gebeurtenissen die één keer in het verleden gebeurden, niet voor herhaalde acties.
- Het werkwoord in de 'toen'-bijzin staat altijd achteraan.
- Verwar 'toen' niet met 'als', dat je gebruikt voor herhaalde of algemene situaties.