- Taal
- Spaans
- Niveau
- B2
- Eenheid
- Pronombres y estructuras relativas
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Spaans vervangen directe en indirecte objectpronomen het object van een zin (de persoon of het ding dat de handeling ontvangt) en hebben ze specifieke plaatsingsregels, 'colocación' genoemd.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze voornaamwoorden in het Spaans om herhaling van zelfstandige naamwoorden te vermijden en zinnen korter te maken. Ze staan vóór het vervoegde werkwoord, of worden achter een infinitief, gerundium of affirmatief bevel geplakt.
Belangrijke vormen
- Directe objectpronomen: lo, la, los, las
- Indirecte objectpronomen: me, te, le, nos, os, les
- Plaatsing: vóór het vervoegde werkwoord, of vast aan infinitief, gerundium of affirmatief bevel
Voorbeelden
Lo veo cada día.
Nederlands: Ik zie hem/het elke dag.
Te lo doy mañana.
Nederlands: Ik geef het je morgen.
Voy a comprárselo.
Nederlands: Ik ga het voor hem/haar kopen.
Dímelo ahora.
Nederlands: Zeg het me nu.
Tips
- Zet objectpronomen vóór het vervoegde werkwoord, behalve bij infinitief, gerundium of affirmatief bevel: dan worden ze eraan vastgeplakt.
- Als beide voornaamwoorden samen worden gebruikt, komt het indirecte voor het directe (me lo, te la, enz.).
- Als beide voornaamwoorden met 'l' beginnen (le/les + lo/la/los/las), verandert 'le/les' in 'se' (bijvoorbeeld: se lo).
Uitzonderingen en randgevallen
- Met le/les + lo/la/los/las gebruik je altijd 'se' in plaats van 'le/les' (bijv. 'se lo di', niet 'le lo di').