Ich warte auf den Bus.
Nederlands: Ik wacht op de bus.
In het Duits zijn er werkwoorden die altijd met een vaste voorzetsel gebruikt worden. Dit noem je 'werkwoorden met vaste voorzetsels'. Je moet het voorzetsel samen met het werkwoord leren.
Gebruik deze vormen als het Duitse werkwoord altijd een bepaald voorzetsel nodig heeft om de juiste betekenis te geven, ook als je eigen taal een ander voorzetsel gebruikt of geen.
Ich warte auf den Bus.
Nederlands: Ik wacht op de bus.
Er interessiert sich für Musik.
Nederlands: Hij interesseert zich voor muziek.
Wir sprechen über das Wetter.
Nederlands: Wij praten over het weer.
Sie freut sich auf das Wochenende.
Nederlands: Zij verheugt zich op het weekend.