Taal
Duits
Niveau
B2
Eenheid
Verb-Präposition- und Reflexivstrukturen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits zijn er werkwoorden die altijd met een vaste voorzetsel gebruikt worden. Dit noem je 'werkwoorden met vaste voorzetsels'. Je moet het voorzetsel samen met het werkwoord leren.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze vormen als het Duitse werkwoord altijd een bepaald voorzetsel nodig heeft om de juiste betekenis te geven, ook als je eigen taal een ander voorzetsel gebruikt of geen.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich warte auf den Bus.

Nederlands: Ik wacht op de bus.

Er interessiert sich für Musik.

Nederlands: Hij interesseert zich voor muziek.

Wir sprechen über das Wetter.

Nederlands: Wij praten over het weer.

Sie freut sich auf das Wochenende.

Nederlands: Zij verheugt zich op het weekend.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen