Meine Schwester ist jünger als ich.
Nederlands: Mijn zus is jonger dan ik.
In het Duits kun je bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden vergelijken door hun vorm aan te passen. Dit heet 'Steigerung' en heeft drie trappen: positief (de basisvorm), comparatief en superlatief.
Gebruik deze vormen om mensen, dingen of handelingen met elkaar te vergelijken. De comparatief geeft aan dat iets meer van een eigenschap heeft dan iets anders. De superlatief geeft de hoogste graad aan.
Meine Schwester ist jünger als ich.
Nederlands: Mijn zus is jonger dan ik.
Er liest am schnellsten.
Nederlands: Hij leest het snelst.
Das ist das schönste Bild.
Nederlands: Dat is het mooiste schilderij.
Der Film war spannender als das Buch.
Nederlands: De film was spannender dan het boek.