Das ist der Mann, mit dem ich arbeite.
Nederlands: Dat is de man met wie ik werk.
Relatieve bijzinnen met voorzetsels in het Duits geven extra informatie over een zelfstandig naamwoord. Het voorzetsel (zoals 'mit', 'für', 'auf') staat direct vóór het betrekkelijk voornaamwoord.
Gebruik deze structuur als je extra informatie over een persoon of ding wilt geven en een voorzetsel nodig hebt, bijvoorbeeld na werkwoorden met een vaste voorzetsel.
Das ist der Mann, mit dem ich arbeite.
Nederlands: Dat is de man met wie ik werk.
Hier ist das Buch, auf das ich warte.
Nederlands: Hier is het boek waarop ik wacht.
Sie kennt die Frau, über die wir gesprochen haben.
Nederlands: Zij kent de vrouw over wie we gesproken hebben.
Das sind die Freunde, bei denen ich wohne.
Nederlands: Dat zijn de vrienden bij wie ik woon.