Taal
Duits
Niveau
B1
Eenheid
Nomen, Fälle und Pronomen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

Wechselpräpositionen zijn Duitse voorzetsels die zowel met de accusatief als de datief kunnen worden gebruikt, afhankelijk van beweging of positie.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze voorzetsels om aan te geven waar iets is (positie) of waar iets naartoe gaat (beweging). Gebruik de accusatief als er sprake is van beweging naar een plek. Gebruik de datief als iets zich op een vaste plaats bevindt.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich stelle das Buch auf den Tisch.

Nederlands: Ik zet het boek op de tafel. (beweging – accusatief)

Das Buch liegt auf dem Tisch.

Nederlands: Het boek ligt op de tafel. (geen beweging – datief)

Wir gehen in die Schule.

Nederlands: Wij gaan naar de school. (beweging – accusatief)

Wir sind in der Schule.

Nederlands: Wij zijn in de school. (geen beweging – datief)

Der Hund läuft unter den Tisch.

Nederlands: De hond loopt onder de tafel. (beweging – accusatief)

Tips

Verder verkennen