Taal
Duits
Niveau
B1
Eenheid
Nomen, Fälle und Pronomen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits hebben sommige werkwoorden een lijdend voorwerp (Akkusativobjekt), andere een meewerkend voorwerp (Dativobjekt), of beide nodig. Het is belangrijk om te weten welk naamval je moet gebruiken in de zin.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik het Akkusativobjekt voor het directe ontvanger van de handeling (wat of wie). Het Dativobjekt geeft aan aan wie of voor wie iets gebeurt. Sommige werkwoorden vragen altijd om de datief, andere om de accusatief, en sommige om beide.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich kaufe einen Apfel.

Nederlands: Ik koop een appel.

Sie hilft ihrem Freund.

Nederlands: Zij helpt haar vriend.

Wir geben dem Kind einen Ball.

Nederlands: Wij geven het kind een bal.

Kannst du mir das Buch geben?

Nederlands: Kun je mij het boek geven?

Die Lehrerin erklärt den Schülern die Aufgabe.

Nederlands: De lerares legt de opdracht uit aan de leerlingen.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen