Ich kaufe einen Apfel.
Nederlands: Ik koop een appel.
In het Duits hebben sommige werkwoorden een lijdend voorwerp (Akkusativobjekt), andere een meewerkend voorwerp (Dativobjekt), of beide nodig. Het is belangrijk om te weten welk naamval je moet gebruiken in de zin.
Gebruik het Akkusativobjekt voor het directe ontvanger van de handeling (wat of wie). Het Dativobjekt geeft aan aan wie of voor wie iets gebeurt. Sommige werkwoorden vragen altijd om de datief, andere om de accusatief, en sommige om beide.
Ich kaufe einen Apfel.
Nederlands: Ik koop een appel.
Sie hilft ihrem Freund.
Nederlands: Zij helpt haar vriend.
Wir geben dem Kind einen Ball.
Nederlands: Wij geven het kind een bal.
Kannst du mir das Buch geben?
Nederlands: Kun je mij het boek geven?
Die Lehrerin erklärt den Schülern die Aufgabe.
Nederlands: De lerares legt de opdracht uit aan de leerlingen.