Taal
Duits
Niveau
B1
Eenheid
Verbformen und Gebrauch
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits zijn er scheidbare en onscheidbare werkwoorden. Dit zijn werkwoorden met een voorvoegsel dat soms loskomt van het werkwoord, of altijd vast blijft.

Wanneer je het gebruikt

Scheidbare werkwoorden gebruik je als het voorvoegsel de betekenis verandert en in sommige tijden loskomt. Onscheidbare werkwoorden hebben een voorvoegsel dat altijd vast blijft. Beide soorten komen veel voor in het Duits.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich stehe um 7 Uhr auf.

Nederlands: Ik sta om 7 uur op.

Er ruft seine Mutter an.

Nederlands: Hij belt zijn moeder op.

Wir besuchen unsere Freunde.

Nederlands: We bezoeken onze vrienden.

Sie versteht die Frage nicht.

Nederlands: Zij begrijpt de vraag niet.

Du machst das Fenster zu.

Nederlands: Jij doet het raam dicht.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen