Ich gehe ins Bett, weil ich müde bin.
Nederlands: Ik ga naar bed omdat ik moe ben.
In het Duits zijn 'Nebensätze' bijzinnen die niet zelfstandig kunnen staan. Ze beginnen met woorden als 'weil', 'dass', 'wenn', 'obwohl' en 'als' en geven extra informatie aan de hoofdzin.
Gebruik deze bijzinnen om redenen te geven, om indirect te spreken, om voorwaarden aan te geven, om een tegenstelling te tonen of om over gebeurtenissen in het verleden te praten. In de bijzin staat het werkwoord altijd achteraan.
Ich gehe ins Bett, weil ich müde bin.
Nederlands: Ik ga naar bed omdat ik moe ben.
Sie sagt, dass sie morgen kommt.
Nederlands: Zij zegt dat ze morgen komt.
Wenn es regnet, bleiben wir zu Hause.
Nederlands: Als het regent, blijven we thuis.
Obwohl es spät ist, liest er noch.
Nederlands: Hoewel het laat is, leest hij nog.
Als ich klein war, hatte ich einen Hund.
Nederlands: Toen ik klein was, had ik een hond.