Ich helfe meinem Bruder.
Nederlands: Ik help mijn broer.
In het Duits gebruiken sommige werkwoorden altijd de datief voor hun object. Dit betekent dat de persoon of het ding dat de actie ondergaat in de datief staat, niet in de accusatief.
Gebruik de datief na bepaalde werkwoorden, zoals 'helfen', 'danken', 'gratulieren', 'gefallen' en 'gehören'. Deze werkwoorden krijgen altijd een object in de datief.
Ich helfe meinem Bruder.
Nederlands: Ik help mijn broer.
Sie dankt dem Lehrer.
Nederlands: Zij bedankt de leraar.
Wir gratulieren der Frau.
Nederlands: Wij feliciteren de vrouw.
Das Buch gehört mir.
Nederlands: Het boek is van mij.
Der Film gefällt dem Kind.
Nederlands: Het kind vindt de film leuk.