- Taal
- Duits
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Verben und Verbformen
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Duits zijn er veel werkwoorden die altijd een lijdend voorwerp in de vierde naamval (Akkusativ) nodig hebben. Deze noem je 'Verben mit Akkusativ'. De Akkusativ geeft aan wie of wat de actie ontvangt.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze structuur als het werkwoord een direct object nodig heeft, dus de persoon of het ding dat de actie ondergaat. Veelvoorkomende werkwoorden zoals 'haben', 'sehen' en 'brauchen' gebruiken de Akkusativ.
Belangrijke vormen
- Werkwoord + Akkusativobject
- Ich habe einen Hund.
- Sie sucht den Schlüssel.
Voorbeelden
Ich sehe den Mann.
Nederlands: Ik zie de man.
Wir kaufen einen Apfel.
Nederlands: Wij kopen een appel.
Sie hat einen Bruder.
Nederlands: Zij heeft een broer.
Er sucht die Tasche.
Nederlands: Hij zoekt de tas.
Tips
- Let op: bij mannelijke zelfstandige naamwoorden verandert het lidwoord in de Akkusativ: der → den, ein → einen.
- Alleen mannelijke woorden veranderen in de Akkusativ; vrouwelijke en onzijdige blijven hetzelfde.
- Niet alle werkwoorden gebruiken de Akkusativ; sommige hebben de Dativ nodig.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden kunnen zowel een Akkusativ- als een Dativobject hebben (bijvoorbeeld 'geben': Ich gebe dem Mann einen Apfel).
- Een paar werkwoorden die lijken op een lijdend voorwerp te vragen, gebruiken eigenlijk de Dativ (zoals 'helfen').