Taal
Duits
Niveau
A2
Eenheid
Verben und Verbformen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits zijn er veel werkwoorden die altijd een lijdend voorwerp in de vierde naamval (Akkusativ) nodig hebben. Deze noem je 'Verben mit Akkusativ'. De Akkusativ geeft aan wie of wat de actie ontvangt.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze structuur als het werkwoord een direct object nodig heeft, dus de persoon of het ding dat de actie ondergaat. Veelvoorkomende werkwoorden zoals 'haben', 'sehen' en 'brauchen' gebruiken de Akkusativ.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich sehe den Mann.

Nederlands: Ik zie de man.

Wir kaufen einen Apfel.

Nederlands: Wij kopen een appel.

Sie hat einen Bruder.

Nederlands: Zij heeft een broer.

Er sucht die Tasche.

Nederlands: Hij zoekt de tas.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen