- Taal
- Frans
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Temps et modes verbaux
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Het 'passé composé' is een Franse verleden tijd die wordt gebruikt om afgeronde handelingen of gebeurtenissen in het verleden te beschrijven.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de passé composé om te praten over acties die één keer of een specifiek aantal keren in het verleden zijn gebeurd, of gebeurtenissen die zijn afgerond.
Belangrijke vormen
- avoir/être (tegenwoordige tijd) + voltooid deelwoord
- Voorbeeld: j'ai mangé, tu as fini, il est allé
Voorbeelden
J'ai visité Paris.
Nederlands: Ik heb Parijs bezocht.
Elle a fini ses devoirs.
Nederlands: Zij heeft haar huiswerk afgemaakt.
Nous sommes arrivés à l'heure.
Nederlands: Wij zijn op tijd aangekomen.
Ils ont regardé un film.
Nederlands: Zij hebben een film gekeken.
Tips
- De meeste werkwoorden gebruiken 'avoir' als hulpwerkwoord, maar sommige (vooral bewegingswerkwoorden) gebruiken 'être'.
- Bij 'être' moet het voltooid deelwoord soms worden aangepast aan het onderwerp (geslacht en aantal).
- Vergeet niet het juiste hulpwerkwoord te kiezen voor elk werkwoord.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden hebben een onregelmatig voltooid deelwoord (bijvoorbeeld 'avoir' → 'eu', 'être' → 'été', 'faire' → 'fait').
- Reflexieve werkwoorden gebruiken altijd 'être' als hulpwerkwoord.