- Taal
- Frans
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Prépositions et adverbes
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Plaatsvoorzetsels in het Frans geven aan waar iemand of iets zich bevindt.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze voorzetsels in het Frans om aan te geven waar mensen of dingen zijn, bijvoorbeeld om antwoord te geven op vragen als 'Waar is het?'.
Belangrijke vormen
- à (op, in, naar)
- dans (in, binnen)
- sur (op)
- sous (onder)
- devant (voor)
- derrière (achter)
- entre (tussen)
- près de (dichtbij)
- loin de (ver van)
- chez (bij iemand thuis)
Voorbeelden
Le livre est sur la table.
Nederlands: Het boek ligt op de tafel.
Je suis dans la voiture.
Nederlands: Ik ben in de auto.
Le chat est sous la chaise.
Nederlands: De kat is onder de stoel.
Nous sommes devant l'école.
Nederlands: Wij staan voor de school.
Elle habite près du parc.
Nederlands: Zij woont dichtbij het park.
Tips
- Bij 'près de' en 'loin de' verandert 'de' afhankelijk van het volgende woord: 'du', 'de la', 'des'.
- 'À' wordt gebruikt voor plaatsen, 'chez' voor mensen of namen van bedrijven.
- Let op het geslacht en het aantal van het zelfstandig naamwoord na het voorzetsel; dit kan het lidwoord veranderen.
Uitzonderingen en randgevallen
- 'De' + 'le' wordt 'du' (près du parc).
- 'De' + 'les' wordt 'des' (près des écoles).