- Taal
- Frans
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Structure de la phrase et accords
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Frans zijn er verschillende eenvoudige manieren om ja/nee-vragen te stellen: met intonatie, met 'est-ce que' en met een eenvoudige inversie.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze vormen als je een simpele ja/nee-vraag wilt stellen in het Frans, bijvoorbeeld om te vragen of iemand komt, of iets klopt, of om iets te bevestigen.
Belangrijke vormen
- Intonatie: Tu viens ?
- Est-ce que: Est-ce que tu viens ?
- Inversie: Viens-tu ?
Voorbeelden
Tu as un frère ?
Nederlands: Heb je een broer?
Est-ce que tu parles anglais ?
Nederlands: Spreek je Engels?
Aimes-tu le chocolat ?
Nederlands: Hou je van chocolade?
Vous êtes prêts ?
Nederlands: Zijn jullie klaar?
Tips
- Bij intonatie verhoog je je stem aan het einde van de zin.
- 'Est-ce que' is neutraal en werkt met elk onderwerp.
- Bij inversie moet er een koppelteken tussen het werkwoord en het onderwerp.
Uitzonderingen en randgevallen
- Bij 'il y a' wordt de inversie 'Y a-t-il... ?'
- Eindigt het werkwoord op een klinker en is het onderwerp 'il', 'elle' of 'on', voeg dan '-t-' toe: 'Aime-t-elle... ?'