Taal
Duits
Niveau
B1
Eenheid
Verbformen und Gebrauch
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits worden sommige werkwoorden altijd met een vaste voorzetsel gebruikt. Dit heet 'werkwoorden met voorzetsels'. Het voorzetsel hoort bij het werkwoord en kan de betekenis veranderen.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze structuur wanneer een Duits werkwoord altijd een bepaald voorzetsel nodig heeft. Het voorzetsel bepaalt vaak de naamval (Akkusativ of Dativ) van het volgende woord.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich warte auf den Bus.

Nederlands: Ik wacht op de bus.

Sie denkt an ihre Freunde.

Nederlands: Zij denkt aan haar vrienden.

Wir sprechen mit dem Lehrer.

Nederlands: Wij spreken met de leraar.

Er interessiert sich für Musik.

Nederlands: Hij interesseert zich voor muziek.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen