Ich warte auf den Bus.
Nederlands: Ik wacht op de bus.
In het Duits worden sommige werkwoorden altijd met een vaste voorzetsel gebruikt. Dit heet 'werkwoorden met voorzetsels'. Het voorzetsel hoort bij het werkwoord en kan de betekenis veranderen.
Gebruik deze structuur wanneer een Duits werkwoord altijd een bepaald voorzetsel nodig heeft. Het voorzetsel bepaalt vaak de naamval (Akkusativ of Dativ) van het volgende woord.
Ich warte auf den Bus.
Nederlands: Ik wacht op de bus.
Sie denkt an ihre Freunde.
Nederlands: Zij denkt aan haar vrienden.
Wir sprechen mit dem Lehrer.
Nederlands: Wij spreken met de leraar.
Er interessiert sich für Musik.
Nederlands: Hij interesseert zich voor muziek.