Taal
Duits
Niveau
B1
Eenheid
Nomen, Fälle und Pronomen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits kunnen sommige voorzetsels met de datief of de accusatief gebruikt worden. De keuze hangt af van of je over een plaats (datief) of een richting/beweging (accusatief) spreekt.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik de datief als je zegt waar iets is (locatie). Gebruik de accusatief als je zegt waar iets naartoe gaat (richting/beweging).

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich stelle das Buch auf den Tisch.

Nederlands: Ik zet het boek op de tafel.

Das Buch liegt auf dem Tisch.

Nederlands: Het boek ligt op de tafel.

Wir gehen in das Kino.

Nederlands: Wij gaan naar de bioscoop.

Wir sind im Kino.

Nederlands: Wij zijn in de bioscoop.

Die Katze schläft unter dem Bett.

Nederlands: De kat slaapt onder het bed.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen