Ich war gestern zu Hause.
Nederlands: Ik was gisteren thuis.
Het Präteritum is de onvoltooid verleden tijd in het Duits. De werkwoorden 'sein' (zijn) en 'haben' (hebben) hebben speciale vormen in deze tijd.
In het Duits gebruik je het Präteritum van 'sein' en 'haben' vaak in geschreven teksten, verhalen en verslagen om over het verleden te praten. Ook in het dagelijks spreken zijn deze vormen gebruikelijk voor deze twee werkwoorden.
Ich war gestern zu Hause.
Nederlands: Ik was gisteren thuis.
Wir hatten keine Zeit.
Nederlands: We hadden geen tijd.
Er war sehr müde.
Nederlands: Hij was erg moe.
Sie hatten Glück.
Nederlands: Zij hadden geluk.