Taal
Duits
Niveau
A2
Eenheid
Zeiten und Verbkonstruktionen
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

Het 'Perfekt' is een verleden tijd in het Duits. Je gebruikt het om te praten over gebeurtenissen of acties die al zijn afgelopen. Deze tijd wordt vaak in gesproken Duits gebruikt.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik het Perfekt om te vertellen over dingen die in het verleden zijn gebeurd en nu klaar zijn. Het is de meest gebruikte verleden tijd in gesprekken en verhalen.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich habe Pizza gegessen.

Nederlands: Ik heb pizza gegeten.

Wir sind nach Hause gegangen.

Nederlands: Wij zijn naar huis gegaan.

Sie hat ein Buch gelesen.

Nederlands: Zij heeft een boek gelezen.

Du hast das Fenster geöffnet.

Nederlands: Jij hebt het raam geopend.

Er ist schnell gelaufen.

Nederlands: Hij is snel gelopen.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen