Ich werde morgen einkaufen.
Nederlands: Ik ga morgen boodschappen doen.
Futur I is de Duitse toekomende tijd. Je gebruikt het om te praten over dingen die in de toekomst gaan gebeuren.
Gebruik Futur I voor plannen, voorspellingen of gebeurtenissen in de toekomst. Soms ook voor vermoedens over het heden.
Ich werde morgen einkaufen.
Nederlands: Ik ga morgen boodschappen doen.
Wir werden am Wochenende reisen.
Nederlands: Wij gaan in het weekend reizen.
Du wirst das Buch lesen.
Nederlands: Jij zult het boek lezen.
Sie wird später anrufen.
Nederlands: Zij zal later bellen.