Taal
Duits
Niveau
A1
Eenheid
Nomen und Kasus
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

De datief (Dativ) in het Duits geeft aan aan wie of voor wie iets gebeurt. Het wordt gebruikt bij bepaalde werkwoorden en voorzetsels.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik de datief in het Duits om het meewerkend voorwerp (de persoon die iets ontvangt) aan te geven, na bepaalde werkwoorden ('helfen', 'geben') en na voorzetsels zoals 'mit', 'zu', 'bei'.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ich gebe dem Mann das Buch.

Nederlands: Ik geef het boek aan de man.

Sie hilft der Frau.

Nederlands: Zij helpt de vrouw.

Wir spielen mit dem Kind.

Nederlands: Wij spelen met het kind.

Er spricht mit den Kindern.

Nederlands: Hij spreekt met de kinderen.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen