- Taal
- Duits
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Nomen und Kasus
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De Akkusativ is de naamval in het Duits die het lijdend voorwerp (direct object) van een zin aangeeft – degene of datgene waarop de handeling direct wordt uitgevoerd.
Wanneer je het gebruikt
Je gebruikt de Akkusativ in het Duits als je wilt zeggen wie of wat direct door de handeling van het werkwoord wordt getroffen. Ook na bepaalde voorzetsels (zoals 'für', 'durch', 'um', enz.) gebruik je de Akkusativ.
Belangrijke vormen
- den (mannelijk bepaald lidwoord), die (vrouwelijk), das (onzijdig), die (meervoud)
- einen (mannelijk onbepaald lidwoord), eine (vrouwelijk), ein (onzijdig)
Voorbeelden
Ich sehe den Hund.
Nederlands: Ik zie de hond.
Sie hat einen Apfel.
Nederlands: Zij heeft een appel.
Wir kaufen die Blumen.
Nederlands: Wij kopen de bloemen.
Er trinkt das Wasser.
Nederlands: Hij drinkt het water.
Tips
- Alleen het mannelijke lidwoord verandert in de Akkusativ (der → den, ein → einen). Vrouwelijk, onzijdig en meervoud blijven hetzelfde als in de Nominativ.
- Let op werkwoorden die altijd een object nodig hebben (zoals 'haben', 'sehen', 'kaufen').
- Sommige voorzetsels gebruiken altijd de Akkusativ, zoals 'für', 'durch', 'um', 'ohne', 'gegen'.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden kunnen zowel een Akkusativ- als een Dativobject hebben, maar op A1-niveau focus je op eenvoudige directe objecten.
- Persoonlijke voornaamwoorden veranderen ook in de Akkusativ (ich → mich, du → dich, enz.).