- Taal
- Frans
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Verbes et temps verbaux
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Het 'présent de l’indicatif' is de Franse tegenwoordige tijd. Je gebruikt het om te praten over dingen die nu gebeuren, gewoontes of algemene waarheden. Er zijn regelmatige en belangrijke onregelmatige werkwoorden.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik het présent de l’indicatif in het Frans om te vertellen wat er nu gebeurt, voor gewoontes, herhaalde acties en algemene feiten.
Belangrijke vormen
- Regelmatige werkwoorden op -er: parler → je parle, tu parles, il/elle parle, nous parlons, vous parlez, ils/elles parlent
- Regelmatige werkwoorden op -ir: finir → je finis, tu finis, il/elle finit, nous finissons, vous finissez, ils/elles finissent
- Regelmatige werkwoorden op -re: vendre → je vends, tu vends, il/elle vend, nous vendons, vous vendez, ils/elles vendent
- Belangrijke onregelmatige werkwoorden: être, avoir, aller, faire
Voorbeelden
Je parle français.
Nederlands: Ik spreek Frans.
Tu finis tes devoirs.
Nederlands: Jij maakt je huiswerk af.
Il va à l’école.
Nederlands: Hij gaat naar school.
Nous faisons du sport.
Nederlands: Wij doen aan sport.
Elles sont contentes.
Nederlands: Zij zijn blij.
Tips
- Let goed op de uitgangen voor elke werkwoordsgroep (-er, -ir, -re).
- Veel voorkomende werkwoorden zoals être, avoir, aller en faire zijn onregelmatig en moet je uit je hoofd leren.
- Gebruik de Franse tegenwoordige tijd niet voor toekomstige gebeurtenissen.
Uitzonderingen en randgevallen
- Veelgebruikte werkwoorden zijn onregelmatig en volgen niet de standaardregels.
- Sommige werkwoorden veranderen een beetje van spelling om de uitspraak te behouden (bijvoorbeeld: manger → nous mangeons).