Taal
Frans
Niveau
A1
Eenheid
Expressions et politesse
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Frans gebruik je 'c’est' en 'ce sont' om mensen of dingen voor te stellen of te identificeren. Ze betekenen 'dit is', 'dat is', 'dit zijn' of 'dat zijn'.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik 'c’est' als je over één persoon of ding praat, of iets introduceert. Gebruik 'ce sont' als je over meerdere personen of dingen praat.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

C’est un livre.

Nederlands: Dit is een boek.

C’est Marie.

Nederlands: Dit is Marie.

Ce sont des étudiants.

Nederlands: Dit zijn studenten.

Ce sont mes amis.

Nederlands: Dit zijn mijn vrienden.

C’est facile.

Nederlands: Dit is makkelijk.

Tips

Verder verkennen