C’est un livre.
Nederlands: Dit is een boek.
In het Frans gebruik je 'c’est' en 'ce sont' om mensen of dingen voor te stellen of te identificeren. Ze betekenen 'dit is', 'dat is', 'dit zijn' of 'dat zijn'.
Gebruik 'c’est' als je over één persoon of ding praat, of iets introduceert. Gebruik 'ce sont' als je over meerdere personen of dingen praat.
C’est un livre.
Nederlands: Dit is een boek.
C’est Marie.
Nederlands: Dit is Marie.
Ce sont des étudiants.
Nederlands: Dit zijn studenten.
Ce sont mes amis.
Nederlands: Dit zijn mijn vrienden.
C’est facile.
Nederlands: Dit is makkelijk.