- Taal
- Engels
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Nouns and Articles
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Engels geeft een enkelvoudig zelfstandig naamwoord aan dat het om één ding gaat, en een meervoud om meer dan één.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik enkelvoud als je over één persoon, dier of ding praat. Gebruik meervoud voor twee of meer.
Belangrijke vormen
- Meeste zelfstandige naamwoorden: voeg -s toe voor meervoud (cat → cats)
- Woorden eindigend op -ch, -sh, -s, -x, -z: voeg -es toe (bus → buses)
- Woorden eindigend op -y (na een medeklinker): verander -y in -ies (baby → babies)
Voorbeelden
There is one apple.
Nederlands: Er is één appel.
There are two apples.
Nederlands: Er zijn twee appels.
I have three dogs.
Nederlands: Ik heb drie honden.
The baby is sleeping.
Nederlands: De baby slaapt.
The babies are sleeping.
Nederlands: De baby's slapen.
Tips
- Meestal voeg je alleen -s toe, maar soms verandert de spelling.
- Sommige woorden veranderen niet in het meervoud (sheep, deer).
- Er zijn onregelmatige meervoudsvormen (child → children, man → men).
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige zelfstandige naamwoorden zijn onregelmatig (man → men, woman → women, child → children, foot → feet, tooth → teeth, mouse → mice).
- Sommige woorden blijven hetzelfde in enkelvoud en meervoud (sheep, fish, deer).