There is a book on the table.
Nederlands: Er ligt een boek op de tafel.
Met ‘there is’ en ‘there are’ geef je in het Engels aan dat iets bestaat of aanwezig is op een plek.
Gebruik ‘there is’ voor één ding en ‘there are’ voor meer dan één ding. Je gebruikt deze vormen om te zeggen wat er ergens is of om iets nieuws te introduceren.
There is a book on the table.
Nederlands: Er ligt een boek op de tafel.
There are two apples in the basket.
Nederlands: Er liggen twee appels in de mand.
There is a dog in the garden.
Nederlands: Er is een hond in de tuin.
There are many students in the classroom.
Nederlands: Er zijn veel leerlingen in het klaslokaal.