Taal
Engels
Niveau
A1
Eenheid
Nouns and Articles
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Engels zijn lidwoorden kleine woorden vóór een zelfstandig naamwoord. Ze geven aan of je over iets specifieks of iets algemeens praat.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik 'a' of 'an' als je het over iets voor het eerst hebt of over iets niet-specifieks. Gebruik 'the' als je het over iets specifieks of bekends hebt.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

I have a dog.

Nederlands: Ik heb een hond.

She is eating an orange.

Nederlands: Zij eet een sinaasappel.

The sun is bright.

Nederlands: De zon is fel.

He found a book on the table.

Nederlands: Hij vond een boek op de tafel.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen