Ik ga naar school.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Voorzetsels
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
'Voorzetsels van richting' zijn voorzetsels die aangeven in welke richting iemand of iets beweegt.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze voorzetsels om een beweging van de ene plaats naar de andere aan te geven, om binnen te komen of weg te gaan, of om de route of richting van een beweging te beschrijven.
Belangrijke vormen
- naar
- tot
- langs
- door
- over
- om
- uit
- in
Voorbeelden
We lopen door het park.
Zij fietst langs de rivier.
Hij springt over de muur.
De kat loopt uit de kamer.
Tips
- 'Naar' gebruik je vaak bij bestemmingen, maar niet bij 'thuis' of sommige landen.
- 'In' en 'uit' geven aan dat je ergens naar binnen of naar buiten gaat.
- De voorzetsels staan meestal direct voor de plaats.
Uitzonderingen en randgevallen
- 'Naar huis' gebruik je zonder lidwoord.
- Bij sommige landen of steden gebruik je 'naar' zonder 'de' of 'het'.