Ik kan Nederlands spreken.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Werkwoordgebruik en modale werkwoorden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Modale werkwoorden zijn speciale werkwoorden die aangeven of iets kan, mag, moet, wil of zal gebeuren. Ze veranderen de betekenis van het hoofdwerkwoord in de zin.
Wanneer je het gebruikt
Je gebruikt modale werkwoorden om te zeggen dat iemand iets kan, mag, moet, wil of zal doen. Het modale werkwoord staat vooraan, het hoofdwerkwoord komt op het einde van de zin.
Belangrijke vormen
- kunnen
- mogen
- moeten
- willen
- zullen
Voorbeelden
Je moet je huiswerk maken.
Mag ik hier zitten?
We willen naar het park gaan.
Zij zullen morgen komen.
Tips
- Het hoofdwerkwoord staat altijd achteraan in de zin bij een modaal werkwoord.
- Modale werkwoorden zijn onregelmatig, leer de vormen uit je hoofd.
- Je vervoegt alleen het modale werkwoord, het hoofdwerkwoord blijft in het infinitief.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige modale werkwoorden hebben een onregelmatige verleden tijd (zoals 'kon' voor 'kunnen', 'mocht' voor 'mogen').
- Bij een vraag staat het modale werkwoord vooraan.