De familie gaat op vakantie.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Zelfstandige naamwoorden en hoeveelheden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Collectieve zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een groep mensen, dieren of dingen aanduiden als één geheel. Bijvoorbeeld: een woord dat een groep studenten of een kudde koeien aanduidt.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik collectieve zelfstandige naamwoorden als je wilt spreken over een groep als geheel, en niet over de individuele leden. Bijvoorbeeld als je het hebt over een familie, een team of een publiek.
Belangrijke vormen
- Woorden zoals: familie, publiek, team, groep, publiek.
- Ze staan meestal in het enkelvoud, ook al bedoel je meerdere personen of dingen.
Voorbeelden
Het team wint de wedstrijd.
Het publiek klapt na het concert.
De groep maakt een foto.
Tips
- Collectieve zelfstandige naamwoorden krijgen meestal een enkelvoudige persoonsvorm.
- Wil je de leden apart benoemen, gebruik dan het meervoud.
- Niet voor elke groep bestaat er een collectief zelfstandig naamwoord; soms gebruik je gewoon het meervoud.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige collectieve zelfstandige naamwoorden kunnen een enkelvoudige of meervoudige persoonsvorm krijgen, afhankelijk van de nadruk op het geheel of de leden.
- Bijvoorbeeld: 'Het team zijn allemaal studenten.'