Taal
Duits
Niveau
B1
Eenheid
Satzstruktur und Wortstellung
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

In het Duits zijn er twee hoofdtypen vragende zinnen: W-vragen (met vraagwoorden zoals 'wo', 'was', 'wer', enz.) en ja/nee-vragen (vragen die met 'ja' of 'nee' worden beantwoord). Deze heten 'Fragesätze'.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik W-vragen als je specifieke informatie wilt (zoals plaats, tijd, reden). Gebruik ja/nee-vragen als je alleen bevestiging of ontkenning wilt.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Wo arbeitest du?

Nederlands: Waar werk je?

Was machst du heute?

Nederlands: Wat doe je vandaag?

Kommst du morgen?

Nederlands: Kom je morgen?

Hast du Hunger?

Nederlands: Heb je honger?

Warum lernst du Deutsch?

Nederlands: Waarom leer je Duits?

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen