Wo arbeitest du?
Nederlands: Waar werk je?
In het Duits zijn er twee hoofdtypen vragende zinnen: W-vragen (met vraagwoorden zoals 'wo', 'was', 'wer', enz.) en ja/nee-vragen (vragen die met 'ja' of 'nee' worden beantwoord). Deze heten 'Fragesätze'.
Gebruik W-vragen als je specifieke informatie wilt (zoals plaats, tijd, reden). Gebruik ja/nee-vragen als je alleen bevestiging of ontkenning wilt.
Wo arbeitest du?
Nederlands: Waar werk je?
Was machst du heute?
Nederlands: Wat doe je vandaag?
Kommst du morgen?
Nederlands: Kom je morgen?
Hast du Hunger?
Nederlands: Heb je honger?
Warum lernst du Deutsch?
Nederlands: Waarom leer je Duits?