- Taal
- Duits
- Niveau
- A0
- Eenheid
- Einfache Verneinungen und Fragen
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Basisontkenningen worden in het Duits opgebouwd met 'nicht' of 'kein' en hulpwerkwoorden.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik ontkenningen om nee te zeggen, informatie te ontkennen of afwezigheid te beschrijven.
Belangrijke vormen
- sein/haben + nicht
- Verb + nicht
- kein/keine (for nouns)
Voorbeelden
Ich bin nicht beschäftigt.
Nederlands: Ik ben niet bezig.
Sie fährt nicht.
Nederlands: Zij rijdt niet.
Sie sind nicht in der Schule.
Nederlands: Zij zijn niet op school.
Wir verstehen nicht.
Nederlands: Wij begrijpen het niet.
Tips
- Plaats 'nicht' na het werkwoord of aan het einde van de zin.
- Gebruik samentrekkingen in gesproken Duits: ist nicht -> isn't (zeldzaam, informeel).
- Voeg geen uitgangen toe aan het hoofdwerkwoord na 'nicht'.
Uitzonderingen en randgevallen
- Bij 'sein' is geen extra hulp nodig: Sie ist nicht..., niet Sie tut nicht sein....