Das ist mein Handy.
Nederlands: Dit is mijn telefoon.
Aanwijzende voornaamwoorden wijzen naar mensen of dingen op basis van afstand en aantal. In het Duits worden 'dies-' en 'jen-' gebruikt.
Gebruik aanwijzende voornaamwoorden om items in context te identificeren, vaak met 'sein'.
Das ist mein Handy.
Nederlands: Dit is mijn telefoon.
Das ist unser Bus.
Nederlands: Dat is onze bus.
Das sind meine Schlüssel.
Nederlands: Dit zijn mijn sleutels.
Das sind deine Schuhe.
Nederlands: Dat zijn jouw schoenen.