- Taal
- Frans
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Négation et questions
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
In het Frans zijn gesloten vragen (questions fermées) vragen waarop je met 'ja' of 'nee' antwoordt. Open vragen (questions ouvertes) vragen om meer informatie en kunnen niet alleen met 'ja' of 'nee' beantwoord worden.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik gesloten vragen als je een kort antwoord wilt (ja/nee). Gebruik open vragen als je meer details wilt weten, zoals een plaats, reden of uitleg.
Belangrijke vormen
- Gesloten vraag: « Est-ce que tu as un vélo ? »
- Open vraag: « Où habites-tu ? », « Pourquoi ris-tu ? », « Comment vas-tu ? »
Voorbeelden
Est-ce que tu joues au football ?
Nederlands: Speel je voetbal?
Tu es prêt ?
Nederlands: Ben je klaar?
Où vas-tu ?
Nederlands: Waar ga je naartoe?
Pourquoi étudies-tu le français ?
Nederlands: Waarom leer je Frans?
Comment t’appelles-tu ?
Nederlands: Hoe heet jij?
Tips
- Voor gesloten vragen kun je 'est-ce que' gebruiken, onderwerp en werkwoord omdraaien, of gewoon de intonatie omhoog laten gaan.
- Open vragen beginnen met een vraagwoord zoals 'où', 'quand', 'pourquoi', 'comment', 'qui', 'que/quoi'.
- Vergeet het streepje niet bij inversie (bijvoorbeeld: 'Aimes-tu...?').
Uitzonderingen en randgevallen
- Bij 'qui' als onderwerp draai je het werkwoord niet om: 'Qui vient ?'
- Sommige vraagwoorden veranderen van vorm voor een klinker (bijvoorbeeld: 'que' wordt 'qu’').