She had left before I arrived.
Nederlands: Zij was vertrokken voordat ik aankwam.
Het past perfect is een Engelse tijd die wordt gebruikt om aan te geven dat een handeling vóór een andere gebeurtenis in het verleden plaatsvond.
Gebruik het past perfect als je wilt laten zien dat iets gebeurde vóór een ander moment in het verleden.
She had left before I arrived.
Nederlands: Zij was vertrokken voordat ik aankwam.
They had finished dinner when the movie started.
Nederlands: Zij hadden het diner afgerond toen de film begon.
I had never seen that film before.
Nederlands: Ik had die film nog nooit eerder gezien.
We had already done our homework.
Nederlands: We hadden ons huiswerk al gemaakt.