Ik was me elke ochtend.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- B1
- Eenheid
- Voornaamwoorden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Wederkerende voornaamwoorden zijn woorden zoals 'me', 'je', 'zich' die verwijzen naar het onderwerp van de zin. Ze worden gebruikt bij wederkerende werkwoorden, waarbij iemand iets met zichzelf doet.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik wederkerende voornaamwoorden als het onderwerp de handeling op zichzelf uitvoert, bijvoorbeeld bij wassen, zich schamen of zich haasten. Veel dagelijkse handelingen gebruiken deze vorm.
Belangrijke vormen
- me (ik was me)
- je (jij wast je)
- zich (hij/zij/het wast zich)
- ons (wij wassen ons)
- jullie (jullie wassen jullie)
- zich (zij wassen zich)
Voorbeelden
Zij schaamt zich voor haar fout.
Wij vergissen ons soms.
Jullie haasten jullie naar school.
Hij herinnert zich de afspraak niet.
Tips
- Let goed op welk wederkerend voornaamwoord bij welk onderwerp hoort.
- Sommige werkwoorden zijn altijd wederkerend in het Nederlands.
- Verwar 'zich' (wederkerend) niet met 'elkaar' (wederzijds).
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden kunnen zowel wederkerend als niet-wederkerend zijn, afhankelijk van de betekenis ('veranderen' vs 'zich veranderen').
- Bij het formele 'u' gebruik je 'zich' (U wast zich).