Ik zal morgen naar school gaan.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Werkwoorden en tijden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De toekomende tijd is de tijd die je in het Nederlands gebruikt om over de toekomst te praten.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik de toekomende tijd om aan te geven wat er in de toekomst gaat gebeuren, voor voorspellingen, beloftes of plannen.
Belangrijke vormen
- zal/zullen + infinitief (hoofdwerkwoord)
- Voorbeeld: Ik zal werken.
- Voorbeeld: Wij zullen eten.
Voorbeelden
Zij zullen het boek lezen.
Wij zullen samen koken.
Jij zult het begrijpen.
Tips
- Gebruik 'zal' bij enkelvoud (ik, jij, hij/zij/het) en 'zullen' bij meervoud (wij, jullie, zij).
- Het hoofdwerkwoord staat in de infinitief achteraan in de zin.
- Soms gebruik je de tegenwoordige tijd om een nabije toekomst aan te geven.
Uitzonderingen en randgevallen
- Bij 'jij' of 'je' na het werkwoord gebruik je 'zult' (bijvoorbeeld: 'Zult jij komen?').
- In informeel taalgebruik wordt ook 'gaan + infinitief' gebruikt voor de toekomst.