Gisteren ging ik naar de winkel.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Werkwoorden en tijden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
De verleden tijd van onregelmatige werkwoorden gebruik je om te vertellen over iets dat in het verleden is gebeurd. Onregelmatige werkwoorden volgen niet de gewone regels voor de verleden tijd.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze vorm als je praat over gebeurtenissen of situaties die al gebeurd zijn, bijvoorbeeld gisteren of vorige week.
Belangrijke vormen
- ik ging
- jij had
- hij kwam
- wij zagen
Voorbeelden
Hij had een mooie fiets.
Wij zagen een film.
Zij kwam te laat.
Tips
- Onregelmatige werkwoorden krijgen niet de gewone '-de' of '-te' uitgang in de verleden tijd.
- Leer de belangrijkste onregelmatige werkwoorden en hun verleden tijd uit je hoofd.
- Let op: de enkelvoud en meervoud kunnen verschillen (bijvoorbeeld: hij was, wij waren).
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden veranderen van klinker in de verleden tijd (bijvoorbeeld: lopen → liep).
- De verleden tijd van onregelmatige werkwoorden moet je uit je hoofd leren.