Ik was me elke ochtend.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A2
- Eenheid
- Voornaamwoorden
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Reflexieve werkwoorden zijn werkwoorden waarbij het onderwerp en het voorwerp dezelfde persoon zijn. Je gebruikt een reflexief voornaamwoord (zoals 'me', 'je', 'zich') bij het werkwoord.
Wanneer je het gebruikt
Je gebruikt reflexieve werkwoorden als iemand iets bij zichzelf doet, bijvoorbeeld zich wassen, zich aankleden of zich vergissen. De handeling komt terug op de persoon zelf.
Belangrijke vormen
- zich + werkwoord (bijvoorbeeld: zich wassen, zich aankleden)
- ik was me, jij wast je, hij/zij wast zich
- wij wassen ons, jullie wassen je, zij wassen zich
Voorbeelden
Jij vergist je vaak.
Zij kleedt zich snel aan.
Wij herinneren ons de afspraak.
Jullie schamen je niet.
Tips
- Gebruik altijd het juiste reflexieve voornaamwoord bij het onderwerp (me, je, zich, ons, jullie, zich).
- Sommige werkwoorden zijn altijd reflexief in het Nederlands, ook als dat in andere talen niet zo is.
- Het reflexieve voornaamwoord staat direct na het werkwoord in een gewone zin.
Uitzonderingen en randgevallen
- Sommige werkwoorden kunnen zowel reflexief als niet-reflexief zijn, met een andere betekenis (bijvoorbeeld: 'zich herinneren' vs. 'herinneren').