Taal
Nederlands
Niveau
A1
Eenheid
Voorzetsels, getallen en tijd
Oefentypen
0

Wat dit grammaticapunt behandelt

Voorzetsels van tijd zijn woorden zoals 'in', 'op' en 'om' die aangeven wanneer iets gebeurt. Ze worden gebruikt om te praten over dagen, data, maanden en tijdstippen.

Wanneer je het gebruikt

Gebruik deze voorzetsels om aan te geven wanneer iets plaatsvindt: op een dag, op een tijdstip, in een maand, jaar of periode.

Belangrijke vormen

Voorbeelden

Ik heb les op donderdag.

We eten om 6 uur.

Mijn verjaardag is in oktober.

De winkel is open van maandag tot vrijdag.

Tips

Uitzonderingen en randgevallen

Verder verkennen