Ik heb les op donderdag.
- Taal
- Nederlands
- Niveau
- A1
- Eenheid
- Voorzetsels, getallen en tijd
- Oefentypen
- 0
Wat dit grammaticapunt behandelt
Voorzetsels van tijd zijn woorden zoals 'in', 'op' en 'om' die aangeven wanneer iets gebeurt. Ze worden gebruikt om te praten over dagen, data, maanden en tijdstippen.
Wanneer je het gebruikt
Gebruik deze voorzetsels om aan te geven wanneer iets plaatsvindt: op een dag, op een tijdstip, in een maand, jaar of periode.
Belangrijke vormen
- 'op' + dag of datum (op vrijdag, op 1 januari)
- 'in' + maand, seizoen of jaar (in mei, in de herfst, in 2022)
- 'om' + tijdstip (om 3 uur)
- 'van ... tot ...' (van maandag tot vrijdag)
Voorbeelden
We eten om 6 uur.
Mijn verjaardag is in oktober.
De winkel is open van maandag tot vrijdag.
Tips
- Gebruik 'op' bij dagen en data, niet bij maanden of jaren.
- Gebruik 'om' alleen bij tijdstippen.
- Gebruik 'in' bij maanden, seizoenen en jaren.
Uitzonderingen en randgevallen
- Bij delen van de dag: 'in de ochtend', 'in de middag', maar '’s avonds' in plaats van 'in de avond'.